
Zondag
22 april 2007. Een gemeenschappelijke dienst van de Lutherse gemeenten Woerden,
Utrecht, Amersfoort en Zeist, die als gastvrouw optrad. De organist was Dirk
Andel, en Alwin Lieuw-On dirigeerde een twintigtal blazers van Hosanna
uit Amersfoort. De predikanten ds. Catrien van Opstal uit Utrecht, en ds. Kees
van der Horst uit Amersfoort namen een goed deel van de liturgie voor hun
rekening. De kerk was tot de laatste plaats gevuld: ruim 80 kerkgangers naast
(onder) de
muzikanten!!!

Wij zijn hier aanwezig in de Naam van de Vader en de
Zoon en de Heilige Geest.
Amen.
Onze Hulp is in de Naam van de Heer
die hemel en aarde gemaakt heeft.
Confiteor:
Grote
God, wij aanbidden Uw Naam,
wij zegenen Uw aanwezigheid hier,
en wij vragen Uw zegen,
over allen die, waar ook ter wereld,
bijeenkomen om Uw goedheid te loven.

Goede
God, wij vertrouwen op Uw Woord,
daarom zijn wij hierheen gekomen.
Wij bidden U voor allen die daar toe niet in staat zijn:
Lieve
God, Uw genade is groter dan ons tekortschieten.
Daarop vertrouwen wij, als wij vragen om vergeving,
als wij U vragen om al wat ons aan zorgen en vragen,
aan verdriet en onrust aankleeft, van ons weg te nemen,
opdat wij U in alle vrijheid als Uw kinderen kunnen aanbidden.

Amen.
Introïtus.

psalm
33: 1, 2 en 8

Zingt al wie leeft van Gods genade,
want waarheid is al wat Hij zegt.
Op trouw gegrondvest zijn Zijn daden, op
liefde rust Zijn heilig recht.
Die zich openbaarde overal op
aarde, alles spreekt van Hem.
Heemlen hoog verheven, vol van blinkend leven,
schiep Hij door zijn stem.
Wij wachten stil op Gods ontferming, ons
hart heeft zich in Hem verheugd.
Hij komt te hulp en geeft bescherming, Zijn
heilge naam is onze vreugd.
Laat te allen tijde Uwe liefd' ons
leiden, Uw barmhartigheid.
God, op wien wij wachten, geef ons
moed en krachten nu en voor altijd.

Laten
we de Heer aanroepen
om ontferming met de nood van deze wereld,
maar laten wij dan ook Zijn naam prijzen,
omdat er aan Zijn barmhartigheid geen einde komt!




Zondagsgebed.
Heer
onze God, wij danken U voor Uw genade en goedheid
die hemel en aarde
vervult, en wij bidden U:
geef dat wij
daarin mogen delen door het leven en sterven
en de opstanding van Jezus
Christus,
Uw lieve Zoon
en onze Heer. Amen
Lezing OT Jeremia 32: 36 - 41 NB
De
troepen van Nebukadnessar belegerden Jeruzalem en de profeet Jeremia zat
gevangen in het kwartier van de wacht, dat tot het paleis van de koning van Juda
behoorde. 3 Koning Sedekia had hem daar gevangengezet omdat hij had
geprofeteerd: ‘Dit zegt de HEER: Ik geef deze stad in handen van de koning van
Babylonië; hij zal haar innemen…’ En
dat zal ook zeker gebeuren omdat Israël zo lang tegen God en gebod is ingegaan,
dat de Heer het beu is. Maar het blijft daar niet bij, want er komt ooit een
tijd dat de Israëlieten ná de ballingschap weer bezit zullen hebben in het
heilige land. Daarover gaat het in de volgende profetie:
36 Nu,
daarom heeft de ENE, Israëls God, zó gezegd,–
over deze stad, waarvan gij zegt:
die is de koning van Babel in handen gegeven
door het zwaard, de honger en de pest:
37
zie, Ik verzamel hen uit al de landen,
waarheen Ik hen in mijn woede, mijn gramschap en mijn grote toorn verstoten heb;
Ik laat hen terugkeren naar dit oord
en laat hen neerzitten in veiligheid;
38 worden zullen zij
mij tot gemeente,–
en Ik,
Ik zal hun weer wezen tot God;
39 geven zal Ik
hun één hart en één wandel,
zodat zij voor mij al de dagen ontzag hebben,–
hunzelf ten goede
en hun zonen–en–dochters na hen;
40 smeden
zal Ik met hen een eeuwig verbond
dat Ik nooit zal omkeren, achter hen vandaan:
Ik zal hen goeddoen,–
en ontzag voor mij geven in hun hart
zodat ze nooit meer wijken van mij;
41 Ik zal vrolijk zijn om hen en hen goeddoen,–
in trouw zal Ik hen planten
in dit land,
met heel Mijn hart en heel Mijn ziel!
Gezang
tt 210 zg2-94 samen op de aarde.
2.
wat Hij heeft geschapen met Zijn hand, Zijn woord.
Wij
zal niet verlaten wat Hem toebehoort.
3.
’t Westen en het Oosten, voor- en nageslacht,
om
Zijn Naam te troosten zijn zij aangebracht;
4.
om Zijn Naam te prijzen gaf Hij zon en maan,
wijzen
en onwijzen gunt Hij het bestaan.
5.
Israël, Egypte, stem en tegenstem,
hoogtepunt
en diepte alles zegent Hem;
6.
want Hij zal verzoenen wat vijandig is,
nieuwe
namen noemen, voor een oud gemis;
7.
kerk en wereld samen, vasteland en zee,
worden
ja en amen, ja uit ja en nee…
Epistellezing:
Openbaring 5: 6 – 14 nbv
Johannes
zag in zijn visioen Hem die op de troon
zat met in Zijn rechterhand een boekrol
die aan beide kanten beschreven was en
met zeven zegels was verzegeld.
Maar er was niemand in de hemel of op aarde
of onder de aarde die de boekrol kon openen
en inzien. Maar de Leeuw
uit de stam Juda, de Telg van David, heeft de overwinning
behaald, en daarom mag Hij de boekrol met de
zeven zegels openen, hoort Johannes. We lezen:
6.
Midden
voor de troon, tussen de vier wezens en de oudsten, zag ik een lam
staan. Het zag eruit alsof het geslacht
was en het had zeven horens
en zeven ogen;
dat zijn de zeven geesten
van God
die over de hele
wereld zijn
uitgestuurd.
7
Het lam ging naar Degene die op de troon zat en ontving de boekrol
uit Zijn rechterhand.
8 Op hetzelfde moment
wierpen de vier wezens en de vierentwintig oudsten
zich voor het lam neer. Ieder van
hen had een lier en een gouden
schaal vol wierook; dat zijn de gebeden van de heiligen.
9
En ze zetten een nieuw lied in: ‘U
verdient
het om de boekrol
te ontvangen
en zijn zegels
te verbreken.
Want U bent geslacht
en met Uw
bloed hebt u voor God mensen
gekocht
uit alle landen
en volken,
van elke stam
en taal.
10
U
hebt voor onze God
uit hen een koninkrijk
gevormd en hen tot priesters gemaakt. Zij zullen als koningen heersen
op aarde.’
11
Daarna hoorde ik het geluid
van een groot aantal engelen
rondom de troon, de wezens
en de oudsten;
het waren er oneindig veel, tienduizend maal tienduizenden, duizend maal
duizenden.
12
Met luide
stem riepen ze: ‘Het lam dat geslacht
is, komt
alle macht, rijkdom en wijsheid toe,
en alle kracht, eer, lof en dank.’
13
Elk schepsel in de hemel,
op aarde, onder de aarde en in de zee,
alles en iedereen hoorde ik zeggen:
‘Aan Hem
die op de troon zit en aan het lam
komen de dank,
de eer, de lof
en de macht
toe, tot in eeuwigheid.’
14
De vier wezens
antwoordden: ‘Amen’, en de oudsten
wierpen zich in aanbidding
neer.
Psalmwoord:
Loof de Heer, roep luid Zijn Naam, maak Zijn daden bekend onder de volken. (Psalm
105:1)
HALLELUJA!

Gezang
196: 2 - 5
Gij overste Rechter, Gij krachtigste vechter,
Uw naam is zo zoet: o Jesu Gods
Zone,
Gij velt van den trone den drijver
verwoed!
Maar ons zult Gij planten als
levende planten,
o Heer, in Uw hof. Uw scepter zal
blijven,
Uw rijk zal beklijven met eeuwige
lof.
Gods Zone wilt loven, Gods Zoon van
hier boven
heeft wonder gedaan; aanhoort deze
tijding
en laat de bevrijding u niet meer
ontgaan!
Het Heilig Evangelie staat geschreven bij: Lucas 24: 35
– 48 NBV
De Emmausgangers zijn in Jeruzalem aangekomen.
35 De twee leerlingen vertelden wat er onderweg gebeurd
was en hoe Hij zich aan hen kenbaar had
gemaakt door het breken van het brood.
36 Terwijl ze nog aan het vertellen waren, kwam Jezus Zelf in hun midden staan en zei:
‘Vrede zij met jullie.’
37 Verbijsterd en door angst overmand, meenden ze een geestverschijning te zien.
38 Maar Hij zei tegen hen: ‘Waarom
zijn jullie zo ontzet en waarom zijn jullie ten prooi aan twijfel?
39 Kijk naar Mijn handen en voeten, Ik ben het zelf! Raak me aan
en kijk goed, want een geest heeft geen vlees en beenderen zoals jullie zien dat Ik heb.’
40 Daarna toonde Hij hun Zijn handen en Zijn voeten.
41 Omdat ze het van vreugde nog niet konden geloven en stomverbaasd waren, vroeg Hij hun:
‘Hebben jullie hier iets te eten?’
42 Ze gaven Hem een stuk geroosterde vis.
43 Hij nam het aan en at het voor hun ogen op.
44 Hij zei tegen hen: ‘Toen Ik nog bij jullie was, heb ik tegen
jullie gezegd dat alles wat in de Wet van Mozes, bij de Profeten en in de Psalmen over Mij geschreven
staat in vervulling moest gaan.’
45 Daarop maakte Hij hun verstand ontvankelijk voor
het begrijpen van de Schriften.
46 Hij zei tegen hen: ‘Er staat geschreven dat de Messias zal lijden en sterven, maar dat Hij op de derde dag zal opstaan uit de dood,
47 (47–48) en dat in Zijn
naam alle volken opgeroepen zullen worden om tot inkeer (bekering) te komen, opdat hun zonden worden vergeven.
Jullie zullen hiervan getuigenis afleggen, te beginnen
in Jeruzalem.
Zalig die het woord van God horen, en er gehoor aan geven!
Ons loflied is gezang 205: 4,5,6 (nog steeds
staande.)
Voor wie vertrouwen op uw
woord ontsluit Gij zelf de donkre
poort.
Halleluja, halleluja. Zo
laat ons dan uit alle macht
lofzingen Hem, wiens heil ons wacht: halleluja, halleluja.
Aan God de Vader in zijn troon, aan
Christus, zijn geliefde Zoon,
halleluja, halleluja, en aan
de Geest zij toegewijd
lof, dank en eer in eeuwigheid. Halleluja, halleluja.
Preek
GENADE
ZIJ U EN VREDE VAN GOD
ONZE VADER EN VAN JEZUS CHRISTUS,
ONZE HEER,
DOOR DE HEILIGE GEEST.
Lieve gemeenten van Gods koninkrijk van priesters en koningen, broeders
en zusters door het offer van het Lam…
Als ik u en jullie hier zo allemaal zie, komt
bij me de gedachte boven dat psalm 133
eigenlijk ook een zeer passende keuze zou zijn geweest voor vandaag: Zie toch
hoe goed, hoe lieflijk is 't dat dochters en zonen van 't zelfde huis als
zusters en broeders samenwonen.
Want in wezen wonen wij in het zelfde huis, waar
we ons ook bevinden en waar we ook kerken:
onze wezenlijke woning
is in het hart van God,
waar we elkaar ook ontmoeten in vrede
en vriendschap, of we elkaar nu kennen
of niet.
Het is vandaag een feestelijke
dag in een feestelijke
tijd
van het
jaar,
waarin we het hebben over Gods genade,
Gods ontferming, ‘Misericordias Domini’ heet
deze zondag dan ook... Dat is hetzelfde in het Latijn.
En dan valt het even tegen, als de eerste lezing meteen al begint
met dood en verderf.
Niet erg opbeurend.
Want de dood en verderf die het volk vreest, komt ook inderdaad.
En eigen schuld, dikke bult is het motto.
Al hádden ze er natuurlijk met waarachtig berouw en een oprechte
bekering onderuit kunnen komen.
Daar is het nooit te laat voor.
En om die bekering
gaat het vandaag.
Die ommekeer van denken en doen.
En niet alleen voor het volk Gods toen en daar, maar ook voor ons,
die mochten horen van Gods blijde
boodschap.
Alle volkeren zouden opgeroepen
moeten worden, zei Jezus immers, aan het eind van de Evangelielezing,
opgeroepen tot inkeer, opdat
hun zonden zouden worden vergeven. Inkeer
vertaalt de NBV, maar er staat in het Grieks gewoon metanoia, en dat is
redelijk gelijkwaardig met het Hebreeuwse woord ‘shoev’ dat meestal met omkering,
en vooral: bekering wordt vertaald...
En opeens zie je dan dat de belofte
die Gods volk
gedaan wordt, als het de ballingschap in
gaat, door Jezus wordt uitgebreid tot iedereen
die in Zijn Naam gelooft en dús
tot een andere manier van leven komt.
Dat hoort er voor Jezus, voor God,
vanzelf bij.
Dat mag God ook verwachten van
een volk dat Hem oprecht dienen wil, van
mensen die werkelijk om Hem
geven, die van de Heilige houden.
Als er liefde in het spel is, dan richt je
je naar elkanders behoeften en wensen, dat
spreekt
vanzelf.
Van Gods kant is die liefde zo
groot, dat er telkens weer een nieuw begin mogelijk
is, zij het vaak na een gepaste afkoelingsperiode.
We lazen het bij Jeremia, hoe nog vóór
het volk wordt weggevoerd en het ten dele
wordt uitgemoord en geplunderd en verkracht,
God zegt al bezig
te zijn met plannen voor de terugkeer.
Hij laat ze straks veilig terugkeren
naar de stad die nu op zijn grondvesten staat te
wankelen onder vijandelijk geweld. Terugkeren
naar de dienst aan Hem.
Dan zal er weer gemeenschap zijn.
Hij hun God, en zij
zullen eensgezind in denken en doen
een heilig
respect voor hun God hebben.
En daarmee bedoel ik dus niet: angst!
Dán zal de Heilige een nieuw
verbond met ze smeden: en de inhoud daarvan is dat God Zich nooit
zal omkeren, zich nooit van ze zal àfkeren, maar dat Hij altijd achter
ze zal staan.
Hijzelf geeft ze dat ontzag in het hart,
waardoor ze God respecteren, en Hem trouw
blijven...
Zodat God er vrolijk
van wordt, en hun weldoener is.
Kijk, daar kun je wel weer blij
van worden.
En Jezus knoopt hier bij aan, als
Hij na Zijn opstanding en voor
Zijn Hemelvaart de leerlingen
er op uit stuurt om alle volkeren, alle gemeenschappen, te vertellen
over de blijde boodschap van Gods Zoon
die dood en verderf heeft overwonnen, en… dat er een eeuwig
verbond is gesmeed dat bekrachtigd is met Zijn bloed.
Tja, ik weet wel dat veel mensen wat ongemakkelijk worden, ook
in de kerk, van die bloederige toestanden,
zoals ze dat dan noemen.
Maar bij het sluiten van een belangrijk verbond tussen twee
partijen werden er dieren gedood, en dan
zeiden beide kanten:
zo mag het mij vergaan en erger, als ik dit verbond verbreek. U begrijpt
dat zo’n offer er toe bijdraagt dat men deze woorden niet lichtvaardig
uitspreekt.
In dit licht moeten we zeker ook Jezus’
offer aan het kruis beschouwen. Hij werpt zich
op, Hij wordt van Gods wege gegeven, als het offerlam,
dat de basis vormt van deze eeuwige
verbondssluiting.
De Heer noemt dat ook bij de instellingswoorden,
die Paulus ons overlevert.
En zo wordt Zijn lichaam, gemarteld
en verminkt, tóch de basis van een nieuw
bestaan voor velen, voedsel
voor de eeuwigheid, mogen we poëtisch zeggen.
En zo wordt Zijn bloed
de wijn van Gods koninkrijk,
waar we, als we straks de gemeenschap vieren
met God en met elkaar, al éven aanwezig
zijn.
Hier in Gods huis. Waar liefde
wordt gegeven en gedeeld, daar woont Hij immers Zelf.
Wij mogen even voorproeven.
Even samen zijn.
Niet uit gewoonte en bijgeloof, maar in diepe
dankbaarheid.
Opdat – en ik citeer: wij ontzag hebben voor God in ons hart, en
nooit meer van Hem afwijken.
Het is nu aan ons om met doen en laten,
denken en spreken, te laten zien dat het Lam niet voor niets
is geslacht. Te laten zien dat Jezus
is opgestaan, niet alleen toen en daar,
maar ook hier
en nu. In ons midden is Hij aanwezig.
Hij nodigt ons aan Zijn tafel.
Laten we ons dan met heel ons wezen, in heel ons dagelijks
leven, omkeren
naar Hem toe!
Laten we ons bekéren, en inzien, hoe goed
en groot en genadig
Gods erbarmen is. Want God heeft Zich voor eens en altijd naar ons
toegekeerd. Wij gaan Hem stuk voor stuk
ter harte.
Als dat de basis van ons bestaan is, zullen we kunnen jubelen
en zingen, eenmaal voor Gods troon,
een nieuw lied voor Hem die mensen
heeft gekocht, heeft vrijgekocht
voor God, uit alle landen en volken, van elke stam en taal. Die
uit hen een koninkrijk heeft gevormd en
die hen tot priesters heeft gemaakt. Priesters, die heel hun leven
wijden aan God.
Dan kunnen ook wij zingen: aan Hem die op
de troon zit en aan het Lam komen de dank, de
eer, de lof
en de macht toe, tot in eeuwigheid.
De Emmaüsgangers kwamen het ons vertellen:
Waar Jezus deelt,
brood en goede woorden, daar
wordt Hij zichtbaar en herkenbaar.
Zo ook wij als wij met Hem
brood en wijn mogen delen. Dan is Hij
als vis in ons midden: Jezus Christus, Gods
Zoon, Redder. Het Griekse woord IXΘUS.
Wij mogen en moeten daarvan getuigen.
Hierbinnen, en straks daarbuiten.
Het kán ons het leven kosten, maar het zal ons zeker eeuwige
vreugde brengen.
Omdat God Zich over ons verheugt.
Amen
Muziek trompetsolo over gezang 206.
De collecte zal zijn onder
het voorspel van gezang
206
De
eerste rondgang is voor de 'kerkelijke middelen', de tweede voor 'educatief
werk'
Volgens het landelijk rooster wordt op zondag 22 april 2007 gecollecteerd
voor het educatieve werk binnen de Protestantse Kerk. Uit deze collecte worden
allerlei activiteiten op het gebied van educatie en toerusting van de eigen
kerkelijke gemeente bekostigd, alsmede enkele samenwerkingsprojecten met het
Nederlands Bijbelgenootschap (NBG). Verder nemen jaarlijks zo’n 1200 cursisten
deel aan de cursus Theologische Vorming Gemeenteleden. Deze cursus voorziet in
de grote behoefte aan theologische scholing en verdieping van gemeenteleden. Na
afronding ervan gaan veel cursisten taken vervullen in de kerkelijke gemeente
als ambtsdrager of als vrijwilliger. Daarnaast
wordt het godsdienstonderwijs op openbare basisscholen vanuit de kerken
verzorgd.
Gezang 206:

Vrouwen
Zij is de bron, het leven zelf,
ontspringend uit het grafgewelf,
Christus, de levende fontein,
waarin wij allen zalig zijn.
Allen
In alle dingen opgericht,
door alles heen dringt hemels licht,
de schepping heft het feestlied aan
want Christus is thans opgestaan.
Mannen
Gisteren was ik met U dood,
o Christus, in dit morgenrood
word ik met U weer opgewekt
daar Gij de Uwen tot U trekt.
Allen
O Christus, ik die gistren pas
met U aan 't kruis gehangen was,
laat heden tot Uw lof en prijs
mij bij U zijn in 't paradijs.
Gebed
over de gaven.
God, onze Vader,
U, Gever van leven,
U die Uzelf met ons deelt in Uw Zoon, onze Heer, Jezus Christus,
wij bidden dat ons leven en onze gaven gezegend mogen zijn ten dienst van U, Uw
gemeente en onze naaste.
Zo bidden wij in Jezus' naam.
Allen: Amen
Dienst
van de Tafel.

Met recht en reden spreken wij onze lofzegging
uit, eeuwige God
Hier en nu, overal en altijd,
Want wat geen oor had gehoord, wat geen oog had gezien
en in geen mensenhart was opgekomen hebt Gij gedaan op de eerste dag:
Christus is opgewekt uit de doden.
Gij hebt in het vroegste licht de duisternis verdreven
Richting en zin gegeven aan heel ons bestaan.
Daarom vieren en zingen ook wij met de vrouwen, de eerste getuigen,
Met de mannen, die hem herkenden in het breken van het brood
En met allen die ons voorgingen in geloof
De dag die Gij gemaakt hebt.
Zo verheffen ook wij onze stemmen met de engelen en de aartsengelen
zingen ook wij de lof van uw heerlijkheid:
Ja, gezegend is Jezus, die met Zijn komst ons
leven met Uw Naam heeft verbonden
en met al wat daarin besloten ligt
aan mededogen, liefde en genade;
die de nieuwe mens geworden is,
Uw beeld en Uw gelijkenis,
de weg, de waarheid en het leven;
die, met ons verbonden voor het leven,
alle machten van de dood voorgoed heeft verslagen,
die, op de avond voor Zijn dood
Zijn liefde voor ons heeft bezegeld
met de tekenen van deze gaven,
toen Hij een brood nam,
de dankzegging daarover uitsprak,
het brak en aan de zijnen gaf
met de woorden:
Dit is Mijn lichaam voor u:
doet dit tot Mijn gedachtenis!
Ook toen Hij na de maaltijd de beker nam,
en die aan de Zijnen gaf met de woorden:
Deze beker is het nieuwe verbond in Mijn bloed:
doet dit, zo dikwijls ge die drinkt,
tot Mijn gedachtenis!
Zo gedenken wij dan, grote God,
het geheim van de Gekruisigde,
Jezus Christus, de Rechtvaardige,
die Gij uit de dood hebt opgewekt.
Stort Uw Heilige Geest over ons uit,
dat wij allen mogen herleven tot een nieuwe gemeenschap van beweging en
bewogenheid,
vruchtbaar in recht en vrede,
ranken van de ware wijnstok.
Samen met alle nu levenden die wij aan U opdragen:
met hen met wie wij vreugde beleven
en hen over wie wij zorgen hebben…
samen ook, lieve God, met onze doden,
die wij uit handen hebben moeten geven en die wij voor U en elkaar gedenken….
en samen met alle geloofsgetuigen, die onze gidsen zijn geweest op weg naar het
land van belofte…
zo, verenigd met heel Uw gemeente,
al de Uwen, in hemel en op aarde,
loven wij God van liefde, Uw Naam,
zegenen wij, God van genade, Uw glorie,
en prijzen wij, God van belofte, Uw trouw –
door Hem en met Hem en in Hem,
Jezus Christus, onze Heer, die ons bijeen zal brengen in Uw Rijk, waar wij om
bidden met de woorden:
Onze Vader, die in de hemel zijt,
Uw Naam worde geheiligd
Uw Rijk kome
Uw Wil geschiede, op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood
en vergeef ons onze schulden,
zoals wij aan anderen hun schuld vergeven;
en leid ons niet in verzoeking
maar verlos ons van het kwade!

Als wij dan eten van dit brood en drinken van
deze beker verkondigen wij dood en verrijzenis van onze Heer, totdat Hij komt!

Uitdeling
- in drie kringen voor in de kerk...

Dankgebed
Laten wij God danken met het zingen van Gezang
217

Jezus leeft! Hem is het rijk over
al wat is gegeven.
En ik zal, aan Hem gelijk, eeuwig
heersen, eeuwig leven.
God blijft zijn beloften trouw, - dit
is al waar ik op bouw.
Jezus leeft! Hem is de macht.
Niets kan mij van Jezus scheiden.
Hij zal, als de vorst der nacht mij
te na komt, voor mij strijden.
Drijft de vijand mij in 't nauw, - dit
is al waar ik op bouw.
Jezus leeft! Nu is de dood mij de
toegang tot het leven.
Troost en kracht in stervensnood zal
de Levende mij geven,
als ik stil Hem toevertrouw: `Gij
zijt al waar ik op bouw!'


Staande zongen we het slotlied: gezang 213: 1, 5 en 6

Nu bidden wij U, Zoon van
God, omdat Gij opstond uit de dood,
Geef ons nu Uw genade groot. Halleluja,
halleluja, halleluja!
Opdat wij, vrolijk en bevrijd, lofzingen
in der eeuwigheid
Uw lieve naam gebenedijd. Halleluja,
halleluja, halleluja!
Zegen:
Dat onze tong woorden van liefde
zal spreken,
dat onze handen daden van warmte
uitstralen,
dat onze ogen schitteren van licht,
dat onze oren gespitst zijn op signalen
van gerechtigheid
dat onze voeten zullen gaan op de weg
van de vrede…
daartoe zegene ons de God van Mozes, Elia en
Jezus:
De Heer zegent u en Hij behoedt u,
De Heer doet Zijn Aangezicht over u lichten
en is u genadig,
De Heer verheft Zijn Aangezicht over u en geeft u vrede.

Daarna
was er koffie, brood en soep en een excursie naar het Zusterplein, waar een
interessante tentoonstelling ons wijzer maakte over de Hernnhutters en de
Moravische broeders.