Dienst in de Lutherse kerk in Tiel, Sint Ceciliënkapel, Kerkstraat 34 4001 MB Organist: Ru Stolk, aanwezig: 12 discipelen. 

IN DE NAAM VAN DE VADER EN DE ZOON EN DE HEILIGE GEEST.
Amen
ONZE HULP IS IN DE NAAM VAN DE HEER
die hemel en aarde gemaakt heeft

Heer, vergeef ons al wat wij misdeden
en laat ons weer in vrede leven

ZO LIEF HAD GOD DEZE WERELD, DAT  HIJ ZIJN ENIGGEBOREN ZOON GEGEVEN HEEFT, OPDAT IEDER DIE IN HEM GELOOFT AAN HET VERDERF ONTKOMT, EN EEUWIG LEVEN HEBBEN MAG!

Introïtus-psalm van zondag Sexagesima is psalm 45: 1

LAAT ONS DE HEER AANROEPEN OM ONTFERMING MET DE NOOD VAN DEZE WERELD,
EN LAAT ONS ZIJN NAAM PRIJZEN,
WANT AAN ZIJN BARMHARTIGHEID IS GEEN EINDE


O Heer, U bidden wij: geef dat wij onze harten openstellen voor Uw goddelijk Woord en dat wij zo de kracht van Uw genade in steeds rijker mate ontvangen. Door Jezus Christus, onze Heer. Amen.

Lezing Oude Testament Jeremia 17: 5 - 10.
5 Zo zegt de HERE Vervloekt is de man die op een mens vertrouwt en vlees tot zijn arm stelt, wiens hart van de HERE wijkt;
6 hij toch zal zijn als een kale struik in de steppe, die het niet zal beleven dat er iets goeds komt, maar staat in dorre oorden in de woestijn, een ziltachtig, onbewoond land.
7 Gezegend is de man die op de HERE vertrouwt, wiens betrouwen de HERE is;
8 hij toch zal zijn als een boom, aan het water geplant, die zijn wortels tot aan een beek uitslaat, en het niet merkt, als er hitte komt, maar welks loof groen blijft, die in een jaar van droogte geen zorg heeft en niet nalaat vrucht te dragen.
9 Arglistig is het hart boven alles, ja, verderfelijk is het; wie kan het kennen?
10. Ik, de HERE, doorgrond het hart en toets de nieren, en dat, om aan een ieder te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner daden.

We zingen: Psalm 1: 1 tot en met 3

     Hij is een groene boom die staat geplant
     waar waterbeken vloeien door het land.
     Zijn loof behoeft de droogte niet te duchten,
     te goeder tijd geeft hij zijn rijpe vruchten.
     Gezegend die zich aan Gods wetten voedt:
     het gaat hem wel in alles wat hij doet.

     Gans anders zal 't de goddelozen gaan:
     zij zijn het kaf dat wegwaait van het graan.
     Zij kunnen zich voor God niet staande houden,
     er is geen plaats voor hen bij zijn vertrouwden.
     God kent die wandelt in het rechte spoor,
     wie Hem verlaat gaat dwalende teloor.

Epistel .Romeinen 12: 17 - 21.
17 Vergeldt niemand kwaad met kwaad; hebt het goede voor met alle mensen.
18 Houdt zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, vrede met alle mensen.
19 Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn (van God), want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Here.
20 Maar, indien uw vijand honger heeft, geef hem te eten; indien hij dorst heeft, geef hem te drinken, want zo zult gij vurige kolen op zijn hoofd hopen.
21 Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.

lied .302: 1 t/m 5  .

Hier druipt de regen van Gods woord,
in alle beken stroomt het voort,
het drenkt de luisterende velden:
die zijn gehoorzaam aan zijn lied
en al doorgronden zij het niet,
zij zullen het de mensen melden.

Al het gezaaide spreekt Gods woord,
het plant zich duizendvoudig voort,
wie is zo doof dat hij niet luistert?
Wie is zo traag dat hij niet weet
hoe God een Heiland komen deed,
een zaad waarvan het weiland fluistert?

En op de wei daar staat het lam
dat werd gezocht door Abraham
om God de Schepper te aanbidden:
een lam, een zaad, een weerloos woord,
dat wordt in Kanaän gehoord,
daar is God vruchtbaar in ons midden.

Zo zingen wij op hoge toon
van Kanaän en van uw Zoon:
uw woord is melk, uw liefde honing.
Over de aarde waait de wind:
uw adem maakt ons welgezind
om zingend in dit land te wonen.

Het heilig Evangelie staat geschreven bij: Lucas 6: 20 – 38

20 En Hij hief zijn ogen op naar zijn discipelen en zei: Zalig, gij armen, want uwer is het Koninkrijk Gods.
21 Zalig, gij, die nu hongert, want gij zult verzadigd worden. Zalig, gij, die nu weent, want gij zult lachen.
22 Zalig zijt gij, wanneer u de mensen haten en wanneer zij u uitstoten, en smaden en uw naam als slecht verwerpen ter wille van de Zoon des mensen.
23 Verblijdt u te dien dage en springt op van vreugde, want, zie, uw loon is groot in de hemel; immers, op dezelfde wijze hebben hun vaderen met de profeten gehandeld.
24 Maar wee u, gij rijken, want gij hebt uw vertroosting reeds.
25 Wee u, die nu overvloed hebt, want gij zult hongeren. Wee u, die nu lacht, want gij zult smart hebben en wenen.
26 Wee u, wanneer alle mensen wèl van u spreken; immers, op dezelfde wijze hebben hun vaderen met de valse profeten gehandeld.

6:27-38 De wet der liefde

27 Maar tot u, die Mij hoort, zeg ik: Hebt uw vijanden lief, doet wel degenen, die u haten;
28 zegent wie u vervloeken; bidt voor wie u smadelijk behandelen.
29 Slaat iemand u op uw wang, keer hem ook de andere toe, neemt iemand u uw mantel af, laat hem ook het hemd nemen.
30 Vraagt iemand iets van u, geef het hem; neemt iemand het uwe, vraag het niet terug.
31 En gelijk gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun evenzo.
32 En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat hebt gij vóór? Immers, ook de zondaars hebben lief, die hen liefhebben.
33 Want indien gij goed doet aan wie u goed doen, wat hebt gij vóór? Ook de zondaars doen dat.
34 En indien gij leent aan hen, van wie gij hoopt iets te ontvangen, wat hebt gij vóór? Ook zondaars lenen aan zondaars om evenveel terug te ontvangen.
35 Neen, hebt uw vijanden lief, en doet hun goed en leent zonder op vergelding te hopen, en uw loon zal groot zijn en gij zult kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goed jegens de ondankbaren en bozen.
36 Weest barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig is.
37 En oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden. En veroordeelt niet en gij zult niet veroordeeld worden; laat los en gij zult losgelaten worden.
38 Geeft en u zal gegeven worden: een goede, gedrukte, geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven. Want met de maat, waarmede gij meet, zal u wedergemeten worden.
ZALIG DIE HET WOORD VAN GOD HOREN
EN ER GEHOOR AAN GEVEN

Credo: gezang 50: 1, 3, 4 en 5

Leer mij belijden openbaar                 te zijn een arme tollenaar,
niet roemende voor uw gericht,          dat ik veel goeds heb uitgericht,
opdat ik niet in zulk een waan   moet ongeholpen van U gaan.

Stuur mijn gemoed, o Schepper trouw,   dat ik niet op het zand en bouw';
geef, dat ik, op uw Zoon alleen           gegrond als op een vaste steen,
niet vreze wind of watersnood          en generhande wederstoot.

Bewaar mij, dat uw heilig woord            niet zij van mij vergeefs gehoord,
of valle op de harde grond,            of van de dorens zij doorwond,
of van de vogels in de lucht             belet te dragen goede vrucht.

Preek
GENADE ZIJ U EN VREDE VAN GOD ONZE VADER EN VAN JEZUS CHRISTUS, ONZE HEER.

Lieve vrienden,

Lang geleden, al zeker wel bijna 70 jaar, zei iemand eens terloops tegen me, dat geboden, met inbegrip van de bijbelse geboden, ook uitvoerbaar moeten zijn. De aanleiding tot het maken van deze opmerking heb ik intussen vergeten. Misschien sloeg het op de rijke jongeling, die al zijn bezit moest verkopen en wegschenken aan de armen om Jezus te mogen volgen en zijn koninkrijk binnen te gaan. Wie kan dan behouden worden! riepen de discipelen uit. Ze hadden gelijk want Jezus vergeleek de rijke met een kameel die door het oog van een naald moet gaan. Dat kan  toch nooit!

De onuitvoerbaarheid ontkracht voor ons gevoel de eis, die in zo’n gebod besloten ligt.

Omdat omstreeks die tijd mijn critische vermogens begonnen te ontwaken, (ik was ongeveer 15 jaar), bleef het zojuist opgemelde zinnetje me heel lang bezighouden. het heeft me feitelijk nooit meer verlaten Toen begreep ik beslist niet hoe Jezus of God iemand een volstrekt onuitvoerbare opdracht zou kunnen geven.
Later heb ik leren inzien, dat de aanwezigheid van God in ons leven onze zwakke krachten op onvermoede wijze versterken kan. Als er zich op onze levensweg onoverkomelijke obstakels in de navolging van Jezus voordoen, zal Gods woord ons bijstaan, ons helpen om voort te gaan. Voor Hem is immers niets onmogelijk. Als het een opdracht van de Heer Zelf betreft, zal Hij de weg om het gestelde doel te bereiken beslist wel voor ons banen.
          Mijn conclusie is dus simpelweg, dat God van niemand het onmogelijke vraagt. Die gedachte dat Hij dat wel zou doen is zelfs in strijd met Zijn wezen. Hij is barmhartig en Hij zal dus aan geen mens opdrachten geven, die onuitvoerbaar zijn.

In de vrede van mijn studeerkamer is dat een geruststellende overweging. Bewaard voor honger en dorst en doorgaans ook beschermd tegen koude, als de centrale verwarming het maar niet laat afweten, heb ik alle reden tot tevredenheid met het goddelijk bestel.
En zelfs toen ik laatst moest voorgaan in een kerk, waarin de verwarming ’s nachts was uitgevallen, werd ik daarna toch zorgvuldig medisch bewaakt, en het eindigde dan ook niet met een levensgevaarlijke longontsteking, waarvoor bij mijn bezorgde huisarts gegronde vrees bestond. Het ziek zijn duurde wel even, maar ik werd na een tijdje weer beter.

Ik ben ook blij, dat ik op die zondag gewoon mijn plicht vervuld heb. Toch was dit incident misschien de reden, dat later de vraag bij mij opkwam of het leiden van de dienst in een ijskoude kerk met daarna nog avondmaalsbediening aan huis op twee verschillende plaatsen mijn krachten niet te boven gegaan was. Op de studeerkamer zijn de gedachten mooi gerangschikt, en geordend, maar in het barre leven loop je tegen practische bezwaren op.

Het barre leven begeleidt ook de woorden van het evangelie voor vandaag. Verrukkelijke woorden op zichzelf; heerlijk om te lezen als je je gaat voorbereiden op je preek; heerlijk om voor te lezen, want Jezus’ woorden zullen niet voorbijgaan en je beseft ook, als je ze tot je laat doordringen, dat het woorden van eeuwig leven zijn; woorden die je met God onze hemelse Vader verbinden. Waar Jezus spreekt, daar gaat de hemel open.

De pericoop, die aan de orde is, wordt door de vertalers van de NBG gekenschetst als de Wet der Liefde, en het kader waarin zij bij Lucas gevat is wordt door hen samengevat onder het opschrift: zaligsprekingen en bedreigingen. Het geheel wordt in de commentaren omschreven als de Veldrede.
Dat woord zegt U misschien niet zoveel, maar de stof die wij in die veldrede aantreffen komt ongeveer overeen met die van de u welbekende bergrede bij Mattheüs. Ongeveer, want Lucas vermeldt in de aanhef ervan vier zaligsprekingen, terwijl Mattheüs er negen heeft. Bovendien doet Lucas zijn zaligsprekingen vergezeld gaan van een viermaal herhaald “wee u!” Naast het “Zalig gij armen, want voor u is het Koninkrijk Gods”,  plaatst Jezus, volgens Lucas, het “wee u, gij rijken, want u hebt hier op aarde uw beloning al ontvangen!”
En zoals de rijken in de tekst van Lucas de armen flankeren, komen ook naast de hongerenden, de wenenden en de discipelen die smaad verdragen om Jezus’ wil, diegenen ter sprake die overvloed hebben, die onbezorgd kunnen lachen en die maatschappelijk in de gunst staan.

Het viervoudige “Wee u”, dat over hen wordt uitgesproken, geeft ook hier, net als bij de geboortegeschiedenis, aan  Lucas’ verhaal een Oud Testamentisch tintje. Het “wee u” doet sterk denken aan Psalm 1, en aan de lezing uit Jeremia. Wij zongen het vanmorgen al:
Gezegend die zich aan Gods wetten voedt:
het gaat hem wel in alles wat hij doet.
Gans anders zal 't de goddelozen gaan:
zij zijn het kaf dat wegwaait van het graan.
Zij kunnen zich voor God niet staande houden,
er is geen plaats voor hen bij zijn vertrouwden.
God kent die wandelt in het rechte spoor,
wie Hem verlaat gaat dwalende teloor.

Het “wee u” klinkt Oud Testamentisch gestreng, en het onderstreept fors, dat Gods bedoelingen weliswaar van genade voor alle mensen uitgaan, maar dat Hij in Zijn Koninkrijk vooral in ruime mate de arme, hongerige, bedroefde en versmade mensen zal toelaten. Wee u, arme rijken, als u niet loskomt van uw bezittingen, als u niet net zo royaal kunt geven als u hebt ontvangen!

Bij de profeet Jeremia vinden we verwante gedachten. Hij vergelijkt de mens, die zich van God afwendt met een kale struik in een doods landschap, dat nooit het levende water zal zien, dat rijkelijk stroomt in Gods nabijheid.
Lucas' tekst geeft enige aanleiding tot de gedachte dat de zalig geprezenen hier beneden voorshands getroost worden met een boodschap, die op de toekomst betrekking heeft. Wacht maar; later, als u in de hemel komt, bij God, zult u bij Hem thuis kunnen genieten van wat u door Jezus is toegezegd. maar zo heeft Hij het toch niet bedoeld. De zaligsprekingen gaan per direct in. Ook dat zongen we vanmorgen al in de introïtus-psalm: Als Gij, o Koning, spreekt, is dat verhoring.
Zalig zijt gij! Dat is een presens, een tegenwoordige tijd, een hier en nu. Nu al schenkt God Zijn aandacht aan u. Nu al moogt u deelnemen aan leven in en met de barmhartigheid van God. God heeft een welbehagen in u, en is met Zijn woord en kracht tegenwoordig in de omstandigheden, die u terneer drukken. Hij is evenzeer met u als hij was met Zijn Zoon Jezus, die op weg was om gekruisigd te worden. Wij zullen er straks van zingen met het lied van Tersteegen: God is tegenwoordig, God is in ons midden. In het laatste couplet daarvan komt een regel voor die voortreffelijk past bij de pericoop die de Wet der Liefde als titel heeft gekregen. Tersteegen zingt en bidt, dat God in ons Zijn beeld gespiegeld mag zien. Dat is juist het thema van die pericoop, en oook van de introïtuspsalm... 'omdat zijn beeld mijn hart en ziel vervulde....'

Het is dus wel zaak om Jezus’ woorden aandachtig te lezen, want wat daarvan allereerst in het oog springt is, dat het leven in het koninkrijk van God hier en nu veel eisen aan ons stelt. Het bestaan van een christenmens mag dan wel zalig geprezen worden, maar het kan ons wel degelijk voor problemen plaatsen. Geheel onverwacht misschien, als je van Gods genade en mensenliefde wilt uitgaan, maar toch niet volstrekt onbegrijpelijk voor hen, die even nadenken... 
Op het raakvlak van hemel en aarde moet wel spanning staan, want God en Zijn geboden passen niet in ons bestel.
Ze passen ook niet bij onze spontane innerlijke opwellingen. Jezus spreekt tot alle mensen in woorden die nooit in hun eigen hart zouden opkomen. Als de kerk niet elke zondag weer zou verkondingen wat uit Gods Heilige Geest gesproten is, zouden we zulke woorden nooit in het openbaar vernemen.
“Tot u die Mij hoort”, zegt Jezus tot Zijn discipelen, d.i. tot u die mijn woorden aanvaardt en ter harte neemt, “tot u zegt IK”- d.i. met de autoriteit die God Mijn Vader Mij verleend heeft…. en nu komt wat de discipelen vast niet onmiddellijk juichend aanvaard hebben, net zo min als wij: “Hebt uw vijanden lief, doet wel degenen die u haten, zegent wie u vervloeken. Bidt voor wie u smadelijk behandelen. Slaat iemand u op uw wang, keer hem ook de andere toe.”
Lieve vrienden, bedenk wel, dat het Galilese bergland waar dit gezegd werd, in die tijd wemelde van Romeinse officieren. Niet elke hoofdman over honderd was natuurlijk een slecht mens, zomin als elke Duitser bij ons in de Tweede Wereldoorlog, maar allemaal dienden ze in de eerste plaats Romeinse belangen.
“Hebt uw vijanden Lief”. Dat is toch in bezettingstijd, wanneer je je vijanden elke dag tegenkomt, een onmogelijke eis, zou je denken.

Wie je vanaf de hoogte langs het meer ook op de oever kon zien lopen, waren de tolgaarders, die voor de Romeinse keizer in diens wingewest belasting inden. Wat zegt Jezus? “Neemt iemand u uw mantel af, laat hem ook het hemd nemen. Vraagt iemand iets van u, geef het hem, neemt iemand het uwe, vraag het niet terug.” Die uitspraak kan behalve op tollenaren ook heel wel betrekking hebben op verzetstrijders, die voor hun levensonderhoud van de bevolking afhankelijk waren. In beide gevallen is het moeilijk om met vreugde aan die eisen te voldoen.

We hebben hier te maken met op gezag aanspraak makende woorden van Jezus. Maar onder de toehoorders op die bergweide zullen er wel een paar geweest zijn, die laat ik het mild zeggen, er nog niet aan toe waren om Hem na te volgen. De omstandigheden waren er niet naar. Ook de Romeinen kenden een spreuk met ‘wee u!’ die ze hun nieuwe onderdanen inpeperden.
U kent hem ook wel, misschien zelfs wel in het Latijn: vae victis, of anders toch in het Nederlands: wee de overwonnenen.

Wat zouden Jezus’ toehoorders, de apostelen en discipelen voorop, gedacht hebben toen ze uit Zijn mond vernamen, dat ze hun vijanden niet kochten haten, mar juist moesten liefhebben? Vermoedelijk toch hetzelfde als wat wij dachten toen we onze vijanden nog voortdurend ontmoetten…

Jezus’ woorden brengen ons in tweestrijd. Wie zou niet eigenlijk zo groots willen leven als Hij ons hier voorhoudt, enerzijds, anderzijds: wie zet dit soort aansporingen in de practijk niet weg als onuitvoerbaar? Tot op zekere hoogte gaan we wel mee. Bijvoorbeeld wanneer Jezus als een soort voorlopige conclusie ons opdraagt andere mensen zo te behandelen als wijzelf behandeld willen worden.
“Gelijk gij wilt dat u de mensen doen, doet gij hen evenzo.” Dat klinkt ons redelijk aanvaardbaar in de oren.Er zit zo’n mooi evenwicht in die spreuk. Je vindt hem, vast niet toevallig, terug in allerlei culturen. Onze eigen variant is toevallig negatief geformuleerd: Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat dan ook een ander niet. Het is blijkbaar een spreuk die elk mens als zodanig aanspreekt. Althans, dat lijkt wel zo. Ik neem even wat gas terug, denkend aan wat ik iemand laatst hoorde zeggen: ‘Ja, ja, een moord plegen, en dan een tijdje opgesloten worden, maar wel in een geriefelijke kamer met een mooie televisie!’
Ik begrijp daaruit dat sommigen vinden, dat  bij een humane behandeling van criminelen het evenwicht zoek is. De mensen zouden de voorwaarden waaronder de geciteerde regel van toepassing is, graag wat willen aanscherpen. In de trant van: de regel geldt alleen voor fatsoenlijke mensen. Ik denk, dat die mening wel op veel instemming kan rekenen.

Maar niet op die van Jezus.
Want Hij vervolgt Zijn rede met een afwijzing van het evenwicht, dat ons allen van nature zo dierbaar is. Hij wijst er nadrukkelijk op, dat allen die Hem willen volgen, de weegschaal juist moeten laten doorslaan. God is goed voor ondankbaren en bozen. Dat is wel heel scherp gezegd. Bij Mattheüs luidt de overeenkomstige spreuk nog: God is goed voor bozen en goeden. Net als bij Lucas staan daar de kwaaie rakkers in de tekst, en zelfs op de eerste plaats, maar de goeden zijn dan toch goede tweeden. Bij Lucas wordt over goeden niet gesproken.

God is goed voor ondankbaren en bozen. Op het eerste gehoor slaat de weegschaal bij Jezus wel erg ver door, als we vanmorgen de tekst van Lucas aanhouden. En Jezus lijkt wel heel veel van Zijn volgelingen te vragen: “Weest barmhartig, gelijk Uw Vader barmhartig is.”  Een bijna onmogelijke eis, waaraan hier en nu voldaan moet worden door armen, die daarvoor de middelen niet hebben, en ze worden nog uitgelachen en bespot op de koop toe, als ze de naam van Jezus zelfs maar noemen.

De hier geschetste situatie uit de tijd van Jezus’ leven op aarde is gaandeweg in de Europese geschiedenis ten gunste van het christendom gewijzigd. Maar ‘niets is hier blijvend’ zongen we met Oud-en-Nieuw. En sommige dingen, die al lang verdwenen waren, keren op zeker ogenblik weer terug. Toen ik in Amsterdam predikant was, eerst bij de Hervormden en later nog tien jaar bij de Lutheranen, heb ik bemerkt, dat degenen die in onze hoofdstad cultureel de toon aangeven dominees terughoudend bejegenen. Ik gebruik ook nu weer een milde formulering. Het is geen aangename ervaring, maar wat mij dieper raakt is het onbegrip, dat in de kerk zelf nogal verbreid is, als zou het navolgen van onze Heer een onaangenaam verschijnsel zijn, dat later in de hemel gecompenseerd zal worden.
Daaraan wil ik mijn laatste opmerking wijden. Onlangs vertelde iemand mij dat hij door kennissen zeer geprezen was, omdat hij zijn ouder moeder op het einde van haar leven met veel zorg verpleegd had. De bewondering daarvoor was ongetwijfeld verdiend, zelfs al had de betrokkene het wat gemakkelijker dan anderen, omdat hij een opleiding tot verpleegkundige had gevolgd. Degene die hem lof toezwaaide sprak echter over de grote opoffering, die dat volgens hem had meegebracht. In bijbelse termen zei hij: ‘Wee hem, die moet aanvaarden, dat hij lange tijd geen eigen leven heeft.’ En dat was nu juist niet in overeenstemming met de beleving van de zoon. Integendeel, hij had het met zoveel liefde gedaan voor zijn moeder, dat de tijd hem niet zwaar gevallen was. En hij heat het ook helemaal niet als een beperking van zijn even ervaren, dat hij gedurende anderhalf jaar praktisch niet uit had gekund. Hij had alle taken met plezier op zich genomen, en er was geen sprake van opoffering geweest.

Die ervaring doet een volgeling van Jezus ook op. Zijn Meester zegt: Bezie je vijanden als mensen, die nog niet weten, dat je hun welgezind bent, en probeer het kwade door het goede te overwinnen, zoals Paulus ons aanraadt in de Romeinenbrief: Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.
Met een beetje andere woorden zegt Petrus hetzelfde: (1 Petrus 2:15): Het is de wil van God, dat gij door goed te doen de mond snoert aan de onwetendheid van onverstandige mensen.
Laat u maar bezielen door de heilige Geest van onze God, die genadig is en goed voor ondankbaren en bozen. Laat de liefde die God aan hen betoont toe in uw eigen hart, zodat Hij Zijn beeld in u gespiegeld ziet. Laat al die prachtige woorden, die door Jezus uit de hemel naar de aarde zijn meegenomen maar toe in uw hart, en besef, dat God daarin meekomt. Hij blijft bij ons wonen in Zijn woord, en Hij nodigt ons aan Zijn tafel, waar Hij ons het brood van het eeuwig leven schenkt en de wijn van Zijn koninkrijk, die de vreugde aanbrengt, die in eeuwigheid niet zal ophouden. God vraagt geen onmogelijke dingen. Hij legt ons niets op wat wij niet met Zijn hulp zouden kunnen volbrengen. Als Hij ons zalig spreekt dan zijn wij het ook. Ga dan zo gezegend straks hiervandaan. Amen.

Muziek

ALLES WAT WIJ HEBBEN , HEBBEN WIJ VAN GOD GEKREGEN,
OM  DOOR  TE GEVEN, OM MET VELEN TE DELEN
     EN ER ZO VAN TE GENIETEN.
OOK NU EN HIER KUNNEN WE GESTALTE GEVEN AAN DAT DELEN:   IN DE COLLECTE. Daarbij zingen we gezang 323: 1 en 8

     Heer kom in mij wonen, zij mijn hart en leven,
     U ten heiligdom gegeven.
     Gij die zo nabij zijt, wend mij toe uw wezen,
     dat Ge in mij uw beeld moogt lezen.
     Waar ik ga, zit of sta,         laat mij U aanschouwen
     met een stil vertrouwen.

collecte 

Gebed over de gaven
LIEVE GOD, WILT U ALSTUBLIEFT ZEGENEN WAT WE HIER BIJELKAAR HEBBEN GEBRACHT,
  ZODAT HET IS TOT EER VAN UW NAAM,
EN ZODAT HET UW GEMEENTE WERELDWIJD TEN GOEDE KOMT.
LAAT HET EEN OFFER ZIJN, DAT ONZE DANKBAARHEID EN LIEFDE UITDRUKT,
DOOR JEZUS CHRISTUS, ONZE HEER.  AMEN

Laten we danken en bidden:
voor ondankbaren, voor mensen die daardoor ontmoedigd worden,

voor immigranten, voor duidelijkheid en barmhartigheid

.......

ONZE VADER, DIE IN DE HEMEL ZIJT,
UW NAAM WORDE GEHEILIGD
UW RIJK KOME,  UW WIL GESCHIEDE,
ZOALS IN DE HEMEL ZO OOK OP AARDE.
GEEF ONS HEDEN ONS DAGELIJKS BROOD
EN VERGEEF ONS ONZE SCHULDEN,
ZOALS OOK WIJ VERGEVEN ONZE SCHULDENAREN
EN LEID ONS NIET IN VERZOEKING
MAAR VERLOS ONS VAN HET KWADE

Slotlied 410: 1 en 2

Bidden wij de Geest om licht,          om het innerlijk gezicht,
dat wij het toch recht verstaan      en Gods woorden nemen aan,
dat wij nu en immermeer                Christus prijzen, onze Heer.
Amen. Hem zij dank en eer.

zegen:
Gods Geest van liefde en waarheid
schenkt ons Haar gaven,
die met ons mee gaan, de wereld in.
Daartoe zegent ons de ene God:
Vader,
Zoon
en Heilige
Geest
Amen.

 naar boven