Zondag 9 na Trinitatis 20-7-2008 in de Lutherse kerk te Zeist

IN DE NAAM VAN DE VADER EN DE ZOON EN DE HEILIGE GEEST.
Amen
ONZE HULP IS IN DE NAAM VAN DE HEER
die hemel en aarde gemaakt heeft

Heer, vergeef ons al wat wij misdeden
en laat ons weer in vrede leven

ZO LIEF HAD GOD DEZE WERELD, DAT  HIJ ZIJN ENIGGEBOREN ZOON GEGEVEN HEEFT, OPDAT IEDER DIE IN HEM GELOOFT AAN HET VERDERF ONTKOMT, EN EEUWIG LEVEN HEBBEN MAG!

Introïtus-psalm is psalm 54: 1 en 2

God is mijn hulp, Hij is getrouw.
Het is de Heer die mij blijft schragen,
die ze verdelgt wie mij belagen,
breekt wie mij brengen in het nauw.
Ja, Hij zag mijn benauwdheid aan,
ik vrees niet meer voor mijn vijanden.
O God, ontvang mijn offeranden!
O HEER, geprezen zij Uw naam!

Laat ons de Heer aanroepen om ontferming met de nood van deze wereld,
en laat ons Zijn naam prijzen,
want aan Zijn barmhartigheid is geen einde.



Zondagsgebed
 Heer onze God, geef ons, zo bidden wij U, een geest die altijd het rechte wil en het volbrengt met Uw hulp, opdat wij, die zonder U niets kunnen, kracht ontvangen om naar Uw wil te leven. Door Jezus Christus, onze Heer. Amen.

lezing ot Daniël 7: 1-15

(12) In het eerste jaar van koning Belsassar van Babylonië had Daniël een droom, beelden kwamen in hem op tijdens zijn slaap. Hij schreef die droom op en zijn verslag begon aldus:
‘Ik had een nachtelijk visioen waarin ik zag hoe de vier winden van de hemel de grote zee in beroering brachten.
2
3  Vier grote dieren rezen op uit de zee, elk met een andere gestalte.
4  Het eerste dier leek op een leeuw, maar dan met adelaarsvleugels. Ik zag hoe zijn vleugels werden uitgerukt, hoe het dier werd opgetild, op twee voeten overeind werd gezet als een mens en ook het hart van een mens kreeg.
5  Toen verscheen er een tweede dier; het leek op een beer en het had zich half opgericht. Het hield drie ribben tussen de tanden van zijn muil, en het dier werd aangespoord met de woorden: “Sta op, eet veel vlees.”
6  Daarna zag ik een ander dier; het leek op een panter, maar dan met vier vogelvleugels op zijn rug, en het had ook vier koppen. Dit dier werd macht toebedeeld.
7  Daarna zag ik in mijn nachtelijke visioenen een vierde dier, angstaanjagend, afschrikwekkend en geweldig sterk, met grote ijzeren tanden. Het vrat en vermaalde alles, en wat overbleef vertrapte het met zijn poten. Het verschilde van alle dieren die daarvoor verschenen waren, en het had tien horens.
8  Toen ik naar de horens keek zag ik hoe een kleine, nieuwe horen tussen de andere opkwam; drie van de oude horens werden uitgerukt om er plaats voor te maken. En in die horen bevonden zich ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak.
9   Ik zag dat er tronen werden neergezet en dat er een oude wijze plaatsnam. Zijn kleed was wit als sneeuw, zijn hoofdhaar als zuivere wol. Zijn troon bestond uit vuurvlammen, de wielen uit laaiend vuur.
10  Een rivier van vuur welde op en stroomde voor hem uit. Duizend maal duizenden dienden hem, tienduizend maal tienduizenden stonden voor hem. Het hof nam plaats en de boeken werden geopend.
11  Ik zag hoe het dier werd gedood vanwege de grootspraak van de horen, ik zag hoe zijn lichaam werd vernietigd en aan de vlammen werd prijsgegeven.
12  De andere dieren werd wel hun macht ontnomen, maar hun werd nog enige tijd van leven gegund.
13  In mijn nachtelijke visioenen zag ik dat er met de wolken van de hemel iemand kwam die eruitzag als een mens. Hij naderde de oude wijze en werd voor hem geleid.
14  Hem werden macht, eer en het koningschap verleend, en alle volken en naties, welke taal zij ook spraken, dienden hem. Zijn heerschappij was een eeuwige heerschappij die nooit ten einde zou komen, zijn koningschap zou nooit te gronde gaan.
15   Ik, Daniël, was tot in het diepst van mijn gemoed geraakt; de visioenen die door mijn hoofd gingen brachten mij in verwarring.

Wij zingen psalm 86: 3 en 7

Laat mij leven voor Uw ogen,
sterk uw knecht door Uw vermogen.
Maak Gijzelf voor hem vrij baan,
die U dient van jongs af aan.
Toon Uw hulp mij door een teken,
dat mijn vijanden verbleken,
als zij zien dat Gij het zijt,
die mij troost en mij bevrijdt.

epistel: Handelingen 28: 16-28
Paulus is naar Rome gezonden om door de keizer, op wie hij zich heeft beroepen, verhoord te worden. Het was een lange, gevaarlijke reis. Luas, de schrijver van dit boek, was er zelf bij…

16  Bij onze aankomst in Rome kreeg Paulus toestemming om een eigen woning te betrekken, met een soldaat als bewaker.
17   Na drie dagen riep hij de Joodse leiders bij zich. Toen ze bijeengekomen waren, zei hij tegen hen: ‘Broeders, ofschoon ik ons volk niets heb misdaan en de gebruiken van onze voorouders niet heb geschonden, ben ik door de Joden in Jeruzalem gevangengenomen en uitgeleverd aan de Romeinen,
18  die me na verhoor wilden vrijlaten omdat er geen enkele grond was om mij ter dood te veroordelen.
19  De Joden tekenden daar echter bezwaar tegen aan, zodat ik me gedwongen zag me op de keizer te beroepen, overigens zonder mijn volk van iets te willen beschuldigen.
20  Dat is de reden waarom ik u verzocht heb hier met mij te komen spreken, want het is juist omwille van de hoop die Israël koestert dat ik deze boeien draag.’
21  Ze zeiden tegen hem: ‘We hebben uit Judea geen brief over u ontvangen, en ook heeft niemand van onze broeders ons bezocht om iets slechts over u te berichten of kwaad van u te spreken.
22  Wel zouden we graag van u horen wat uw denkbeelden zijn, want het is ons bekend dat de groep waartoe u behoort overal op verzet stuit.’
23   Ze maakten een afspraak en kwamen op de vastgestelde dag in groten getale naar hem toe. Van de ochtend tot de avond legde Paulus getuigenis af en sprak hij uitvoerig met hen over het koninkrijk van God, terwijl hij hen op grond van de Wet van Mozes en de Profeten voor Jezus probeerde te winnen.
24  Sommigen lieten zich overtuigen door zijn woorden, maar anderen bleven ongelovig.
25  Ze werden het niet met elkaar eens en gingen uiteen, maar niet voordat Paulus nog een laatste woord had gesproken: ‘Volkomen terecht heeft de heilige Geest bij monde van de profeet Jesaja tegen uw voorouders gezegd:
26  “Ga naar dat volk en zeg: ‘Jullie zullen goed luisteren maar niets begrijpen, en jullie zullen goed kijken maar geen inzicht hebben.
27  Want het hart van dit volk is afgestompt, hun oren zijn doof en hun ogen houden zij gesloten. Met hun ogen willen ze niets zien, met hun oren niets horen, met hun hart niets begrijpen. Want anders zouden ze tot inkeer komen en zou ik hen genezen.’”
28  U moet dan ook weten dat God deze boodschap van redding al aan de heidenen bekendgemaakt heeft; zij zullen wel luisteren.’

psalmwoord: Zing voor de Heer een nieuw lied. Wonderen heeft Hij verricht! HALLELUJA!


Laten we zingen: gezang 480: 1 t/m 5


Uw wijsheid en Uw welbehagen  bepalen 's mensen levensdagen
en wijzen hem zijn woonplaats aan.  Hij is ten prooi aan duizend vrezen,
toch mag hij vrij en veilig wezen  en heersen over het bestaan.

Hij overmant de wilde dieren,  vaart uit op zeeën en rivieren,
doorzoekt der aarde donkre schoot.  Ja, hij snelt voort op hoge winden
om de allerlaatste grens te vinden.  Zo vindt hij onverhoeds de dood.

Door een geheimenis omsloten,  door alle dingen uitgestoten,
gaat hij op alle dingen in.  Alleen Uw woord geeft aan zijn falen,
zijn rustloos zoeken en verdwalen  een onuitsprekelijke zin.
 
O God, wij bouwen als ontheemden, wij wonen en wij blijven vreemden,
bestemd voor hoger burgerrecht.  Wil ons, o Koning der getijden,
een woning in de stad bereiden  waar Gij het fundament van legt.


Het heilig evangelie staat geschreven bij: Mattheüs 13: 24 – 30 en 36 – 43

24  Hij hield hun een andere gelijkenis voor: ‘Het is met het koninkrijk van de hemel als met een mens die goed zaad op zijn akker uitzaaide.
25  Terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand onkruid tussen het graan zaaien en vertrok weer.
26  Toen het jonge gewas opschoot en vrucht begon te dragen, kwam ook het onkruid te voorschijn.
27  De knechten kwamen de heer des huizes vragen: “Heer, hebt u soms geen goed zaad op uw akker gezaaid? Waar komt dat onkruid dan vandaan?”
28  Hij antwoordde: “Dat is het werk van een vijand.” De knechten zeiden tegen hem: “Wilt u dat wij er het onkruid tussenuit wieden?”
29  Hij antwoordde: “Nee, want dan zouden jullie met het onkruid ook het graan lostrekken.
30  Laat beide samen opgroeien tot aan de oogst, dan zal ik, wanneer het oogsttijd is, tegen de maaiers zeggen: ‘Wied eerst het onkruid, bind het in bundels bij elkaar en verbrand het. Breng dan het graan bijeen in mijn schuur.’”’

36  Daarop stuurde Hij de mensen weg en ging naar huis. Zijn leerlingen kwamen bij hem en vroegen: ‘Wilt u ons de gelijkenis van het onkruid op de akker uitleggen?’
37  Hij antwoordde hun: ‘Hij die het goede zaad zaait is de Mensenzoon,
38  de akker is de wereld, het goede zaad dat zijn de kinderen van het koninkrijk; het onkruid dat zijn de kinderen van het kwaad,
39  de vijand die het zaait is de duivel, de oogst staat voor de voltooiing van deze wereld en de maaiers zijn de engelen.
40  Zoals het onkruid bijeengebonden wordt en in het vuur verbrand, zo zal het gaan bij de voltooiing van deze wereld:
41  de Mensenzoon zal Zijn engelen erop uitsturen, en ze zullen uit zijn koninkrijk allen die anderen ten val hebben gebracht en de wetten hebben verkracht bijeenbrengen
42  en hen in de vuuroven werpen; daar zullen ze jammeren en knarsetanden.
43  Dan zullen de rechtvaardigen in het koninkrijk van hun Vader stralen als de zon. Laat wie oren heeft goed luisteren!
Zalig die het Woord van God horen en er gehoor aan geven!

In antwoord op Gods Woord willen wij ons geloof belijden met het zingen van gezang 476: 1 t/m 5

Lam van God, in eeuwigheid te prijzen, die voor 's werelds zonden boet,
uw gekruisigd vlees is waarlijk spijze, waarlijk drank Uw heilig bloed.
Uit een duister, vreeslijk boven mate riept Gij tot Hem die U had verlaten,
maar uw stem breekt door de nacht: Vader, wereld, 't is volbracht.

Meester, Heer, Uw graf kon U niet houden: heerlijk zijt Gij opgestaan.
Die U als verrezene aanschouwden baden U verwonderd aan.
Op de berg hebt Gij bevel gegeven, en van de aarde zegenend verheven
zondt Gij op het Pinksterfeest als in storm en vuur Uw Geest.

Mensenzoon tussen de kandelaren,  Wortel Davids, Morgenster,
blijf Uw kerk vergaderen, bewaren,  roep haar van nabij en ver.
Laat de luchters branden van Uw klaarheid,  maak Uw kerk tot pijler van Uw waarheid,
schuilplaats in de wildernis,  huis waarin Uw vrede is.

Levensvorst, U loven de geslachten,  en tot Uw verborgen tijd
blijft de bruid Uw wederkomst verwachten,  't einde van haar bange strijd.
Houd haar waakzaam; doe haar, 't hoofd geheven,
uit die hoge heilsverwachting leven,
tot zij op de jongste dag,  met U triumferen mag.

Preek
GENADE ZIJ U EN VREDE VAN GOD ONZE VADER EN VAN JEZUS CHRISTUS, ONZE HEER.
Tekst: Mattheüs 13:36 'Legt U ons de gelijkenis van het onkruid in de akker eens uit.'

Lieve vrienden,
1. De discipelen van Jezus waren naar ons idee beslist bevoorrechte mensen, want zij hadden de mogelijkheid Hemzelf vragen te stellen over wat ze Hem hadden horen zeggen. Zijn uitleg was ook gezaghebbend, wat Hij  had de gelijkenissen persoonlijk bedacht. U zegt nu misschien bij U zelf: hadden wij dat directe contact met onze  Heer maar! Jammer genoeg hebben wij niet op gelijke wijze toegang tot Jezus. Het zou zoveel gemakkelijker voor ons zijn geweest, als we Hem over Zijn bedoelingen in een privé-gesprek hadden kunnen raadplegen. 
Bovendien maakt de Griekse grondtekst ons nog een beetje jaloers. Als ik net zo huiselijk vertaal als het er staat wat de discipelen volgens Mattheüs tot Jezus zeiden, dan vroegen ze Jezus niet bedeesd: Wat bedoelt U met de gelijkenis? Nee! Hun verzoek om uitleg was minder eerbiedig dan wij verwachten. Ze eisten veeleer dat Jezus hun alles nu eens precies wilde uiteggen.  Op de achtergrond klinkt mee, dat ze eigenlijk ook wel haarfijn antwoord hoopten te krijgen inzake de herkomst van het onkruid.
De slaven uit de gelijkenis hadden immers al tot de Zaaier gezegd: U hebt toch vast wel het goede zaad gebruikt? Waar komt dat onkruid dan opeens vandaan? Ze bedoelen in bedekte termen: 'Aan ons ligt het niet hoor!' 

De discipelen verwachten een soort inwijding in goddelijke geheimen.
Maar helaas…
Wat Jezus daarover verklaart, mag niet echt een afdoende en bevredigende verklaring heten. Het onkruid komt van de satan zegt Hij. De satan, de tweedrachtzaaier, die heeft het gezaaid, in de nacht als de mensen slapen, omdat het dan slapenstijd is. De vijand maakt gebruik van de nachtrust en van de duisternis om ongemerkt het zaad uit te strooien, dat zich in het begin nauwelijks onderscheid van het goede zaad.  Pas later wordt duidelijk dat er iets bezig is te groeien, dat een gevaar vormt voor het goede graan.

Jaloers op de discipelen behoeven we dus niet te worden, want op de vraag naar de herkomst van het kwaad, ontvangen zij van Jezus net zomin antwoord als wij.
Niet bij alle vragen wordt onze nieuwsgierigheid dus bevredigd. Wij moeten er zogezegd maar mee leren leven, dat we de oorsprong van het kwaad van niemand vernemen, ook niet van Jezus.

2. Op een ander punt krijgen we wel veel meer duidelijkheid, al moet ik er al dadelijk bij zeggen, dat de voorlichting niet erg welkom is. De gelijkenis zelf geeft al aan, wat er gebeuren moet zodra de plantjes van de satan herkenbaar de kop opsteken. Dat is dus kennelijk een zo voornaam onderdeel van de gelijkenis, dat het niet alleen aan de discipelen, maar aan alle toehoorders met nadruk voorgelegd wordt. We horen dat de slaven van de landheer onmiddellijk na de ontdekking van het onkruid hun goede wil toonden en verrassend snel hun diensten aanboden  om het kwaad met wortel en tak uit te roeien. Ongetwijfeld tot hun verbazing wees de landheer dat voorstel van de hand. De reden van de afwijzing is gelegen in de mogelijkheid, dat de onmiddellijke verwijdering van het onkruid met zich meebrengt, dat tegelijk ook waardevol graan verloren gaat. Het onkruid zou best onmiddellijk gewied kunnen worden, maar dan is er wel een groot risico dat een deel van het goede zaad mede vernietigd wordt.

Wie ís nu die landheer? Dat is Jezus natuurlijk, al zwijgt Hij daar Zelf over. 
Als u de moeite neemt het evangelieboek aan één stuk door te lezen, en dus niet bij stukjes en beetjes, zoals wij vanmorgen hier noodgedwongen doen in onze kerkdienst, wordt U op het goede spoor gezet door Zijn bewijs van barmhartigheid ten bate van het onschuldige graan, dat zijn best doet zijn zegenrijke bestemming te vervullen. Het graan staat immers voor de gelovigen, die in Gods kracht werken aan een humane samenleving; en de landheer wil niet dat één daarvan verloren gaat. 
In hoofdstuk 9 staat zelfs geschreven dat Jezus, toen Hij de scharen zag, met ontferming werd bewogen. Dat is de volzin die de teneur van de hoofdstukken 9 tot 12 samenvat. Ook voor de graankorrels geldt dan natuurlijk dat de goede niet opgeofferd worden tijdens en als gevolg van de bestrijding van het kwade onkruid.

Een gelijkenis is een raadselspreuk, die in wezen over mensen gaat. En de gelijkenissen van het Koninkrijk Gods hebben uiteraard betrekking op de relatie van God tot Zijn schepselen. De Landheer kan nooit willen, dat de goeden zouden moeten lijden onder de straf die de onrechtvaardigen treft vanwege hun ongehoorzaamheid.
Hij die het goede zaad zaait, is immers met ontferming bewogen over alle mensen, en zeker over hen die naar Hem luisteren.
Iedereen, die deze gelijkenis met aandacht aanhoort en een beetje nadenkt, kan er dus achter komen dat Jezus zichzelf bedoelt als Hij over een zaaiende landheer spreekt in een gelijkenis die op het Koninkrijk Gods betrekking heeft. Wie dat inzicht tot het hare of het zijne maakt, heeft al veel gewonnen. In het Evangelie van het komende Koninkrijk van God draait alles om Jezus' ontferming. Dat bijbels uitgangspunt heeft Luther herontdekt. 

3. Eigenlijk heb ik, omdat ik het voorrecht heb u een beetje te kennen, geen enkele twijfel dat u het met mijn zojuist getrokken conclusie van harte eens bent. Jezus nodigt ons echter in enen door uit om nog een stap verder te gaan. 

De vraag is niet alleen of wij het helemaal met Jezus eens zijn, maar ook nog of wij Hem na volgen in Zijn ontferming. 

En nu stel ik bij mijzelf vast, dat ik zomaar zonder nadenken precies hetzelfde gezegd zou hebben als de slaven in de gelijkenis. Als ik niet met de discipelen, via Mattheüs, gehoord had, uit Jezus’ eigen mond, dat de scheiding tussen de goeden en de kwaden moet wachten totdat het de tijd is van de oogst, zou ik dadelijk gekozen hebben voor de lik-op-stuk methode. Pas in de loop der jaren ben ik gevoelig geworden voor de heel andere aanpak die Jezus voorstaat. Ik ben ook wel bereid Hem te volgen, als is het dan bijna blindelings, want over een volledig inzicht in het 'waarom' van Jezus' houding beschik ik niet. Aan de ene kant heb ik bijvoorbeeld veel bewondering voor Doopsgezinden in Zuid-Amerika, die in het verleden oorlogsmisdadigers de kans gave een nieuw leven te beginnen. Zij zijn ervan overtuigd, dat deze misdadigers eenmaal voor het Hemelse gerecht gebracht zullen worden, dat geen rechterlijke dwalingen kent. Maar anderzijds heb ik toch ook het gevoel, dat mensen, aan wie door deze misdadigers mateloos onrecht is begaan, niet al te lang moeten behoeven te wachten op een berechting van de daders. Kortom: ik heb óók veel bewondering voor het werk van Simon Wiesenthal, dat echter niet eenvoudig in te passen is in de gelijkenis die ons nu bezighoudt.
Als dit wereldwijde voorbeeld wat al te ver van U afstaat, heb ik nog wel een ons meer vertrouwde kwestie om over na te denken. Het komt nog al eens voor, dat een T.B.S.-er op proefverlof ontsnapt en opnieuw een misdaad begaat. Dan worden alle proefverloven tegelijk ingetrokken, ook die van degenen die zich altijd goed gedragen hebben. We kunnen dan zeggen, dat de goeden met de kwaden mee moeten lijden, maar is dat ten aanzien van de goeden een rechtvaardige maatregel?
Ik onderken het risico natuurlijk wel, maar ik stel u en mijzelf tóch even de vraag naar de rechtvaardigheid van zo’n ingreep. Mogen we iemand van zijn bewegingsvrijheid beroven om andermans vergrijp, dat weliswaar niet alleen, maar wel mede, het gevolg is van onze inschattingsfouten? Bedenk wel dat als U ja zegt op die vraag (en ik ben daar zelf ook maar al te zeer toe geneigd), dus als wij zeggen: 'Houdt ze maar goed achter slot en grendel', bedenk dan dat Jezus, die wij onze Heer noemen, eerder lijkt te zeggen: “Nee, dat mag niet”.

Gelukkig behoeven wij in concreto daar geen van allen over te beslissen. Maar ik hoop u duidelijk gemaakt te hebben, dat we onverwachts in moeilijke gewetensproblemen verstrikt kunnen raken door Jezus' antwoord, als we de vraag van de eerste discipelen tot de onze maken en met hen zeggen: Heer, geef ons eens een scherp inzicht in de gelijkenissen, en daarmee impliciet beloven ons te zullen houden aan Zijn aanwijzingen.

De bekende Augustinus, de grote kerkvader van het Westers Christendom, heeft over de gelijkenis van het onkruid op de akker ooit eens gewezen op het onderscheid tussen het onkruid, zoals het enerzijds beschreven staat in de gelijkenis, en anderzijds in de door Jezus gegeven uitleg. Het verschil is simpelweg dat alles wat eenmaal op een akker is gezaaid, de weg volgt van de natuur. Maar de uitleg betrekt dat zaaigoed op mensen. Voor hen geldt dat zij zich kunnen bekeren. Zij kunnen, als ze als onrkruid gezaaid zijn, in goed graan veranderen. In de goddelijke ontferming word hun de kans daartoe geboden. En de  vraag is dan: willen wij daar wel op wachten? En  hoe lang dan?

4. Tenslotte wil ik nog even met U stilstaan bij het feit dat Jezus vanaf  hoofdstuk 13 over gaat tot het spreken in raadsels. Want een gelijkenis is een raadselspreuk. Waarom spreekt Hij voortaan in verhullende taal? 

Aan Zijn discipelen geeft Hij min of meer uitleg over wat daarachter schuil gaat. Hij zegt weliswaar niet ronduit dat Hijzelf de zaaier is van het goede zaad, maar dat begrijpen we door de zinspeling op Zijn ontferming ook zonder uitleg wel. Geheel nieuw echter is Zijn onthulling in de uitleg, dat die zaaier de functie van de Mensenzoon vervult. De zaaier is de Mensenzoon. Dat vertelt Jezus Zijn discipelen onomwonden. 

En wat is dan de taak die op Zijn schouders gelegd wordt? Wat wordt van Jezus verwacht als Hij in die hoedanigheid optreedt? 
Het U voorgelezen stuk uit het boek Daniël geeft ons daarover uitsluitsel.
Wij lezen in dat boek over de vier grote wereldrijken die de profeet Daniël aanschouwd heeft in een nachtelijk visioen. Het ene imperium na het andere komt op en verdwijnt weer van het toneel. En de schrijver zag ze alle vier uit de zee opkomen. Dat voorspelt onheil, want in de zee huizen, volgens het volksgeloof, de demonen.
Ze worden gekarakteriseerd met dierennamen als bijvoorbeeld leeuw en beer, zodat we begrijpen dat het leven onder dergelijke heersers niet aangenaam verloopt. Maar eind goed, al goed, gelukkig. Het visioen besluit met de plaatsing van tronen en op één daarvan zet Zich een Oude Wijze, zoals de nieuwste vertaling luidt, neder. En dan begint de rechtszitting waarin over alles wat mensen ooit gedaan hebben, een laatste oordeel wordt uitgesproken door de Zoon des mensen. Tenslotte wordt ons verteld, dat het koningschap over de wereld uiteindelijk aan die Mensenzoon wordt toevertrouwd. Hij regeert uiteraard op een humane, menselijke manier, en alle volken dienen Hem. God belooft ons dus een einde van de geschiedenis waarin alles ‘sal reg kom’, zoals onze verwanten in Zuid-Afrika zeggen. Dat is een blijde boodschap die we al lezen in het Oude Testament, een boodschap die door Jezus, onze Heer, wordt vervuld. 
Maar waarom spreekt Hij dan toch in gelijkenissen? In raadselspreuken?
Dat lezen we in de Handelingen der Apostelen. Paulus maakt aan de Joodse inwoners van Rome duidelijk, dat Jezus op zeker ogenblik bemerkte dat Zijn volksgenoten het door Hem verkondigde Evangelie verwierpen. Zo'n verwerping van het Woord van God had ook al eens plaats gevonden in de tijd van de profeet Jesaja. En God had daarop gereageerd door in raadseltaal te gaan spreken.
Dat neemt Jezus nu over. Hij hoopt dat het volk van het Oude Verbond daardoor tot inkeer komt, al moet het dan meer moeite doen om God in Zijn ontferming te leren kennen. Als het volk dat niet doet, gaat het heil naar andere volken. Want Gods plannen falen uiteraard niet.

En U had, evenmin als Jezus' tijdgenoten, ooit verwacht dat toen de Romeinen in zicht kwamen. (Nota bene: de Romeinse bezetters uit Jezus’ tijd! Wij zouden ze nu voor een deel oorlogsmisdadigers noemen!) Zij kwamen na een paar eeuwen ook tot inzicht. Het Christendom werd toen Staatsgodsdienst. Langs die weg, via de Romeinen, heeft het Evangelie ook ons volk bereikt. Dank zij Gods ontferming horen ook wij nu nog altijd het Evangelie verkondigen. Het komt thans tot ons in verhullende taal. Wij moeten wel moeite doen om het Evangelie te begrijpen, maar het heilsgeheim van het Evangelie is waardig om doorgrond te worden. Daarom zeggen wij met Jezus' discipelen, maar nu eerbiediger dan zij: 'Heer Jezus, leg ons Uw gelijkenissen uit,' en wij bidden: 'Heer verleen ons de genade om te doen wat U van ons verlangt! In Uw kracht wordt dan alle goed werk volbracht. Vergun ons goed graan te worden als we het nog niet zijn. 
Heer, ontferm U over ons en over Uw geteisterde wereld.
Amen'.

Muziek

Gods liefde is groot en strekt zich uit tot alle mensen,
   wij kunnen daarin delen:
dag aan dag met vriendelijkheid en aandacht,
geld en geduld,
nu kunnen we er gestalte aan geven, als een goed begin,  in de collecte!

collecte
Gezang 64: 1 t/m 6


In deze onstuimige lente,
waarin heel de wereld bestaat,
verwekt Gij de elementen
en wie scheidt het goed van het kwaad?

En wie zal het zaad onderscheiden,
het zij tot verval of tot eer?
Uw regen geeft regen aan beide,
Uw zon ziet op beide terneer.

Heer, zijn wij het zaad van uw akker,
Gij doet ons ontkiemen tot graan.
Wij sliepen en Gij roept ons wakker,
Gij doet ons uit aarde ontstaan.

Wij groeien de aarde te boven,
wij rijpen in weer en in wind,
totdat Gij in garven en schoven
de mensen tezamen bindt.

En als Gij ons brengt in Uw schuren
ten tijde der eeuwigheid,
o laat ons het dorsen verduren
waarmee Gij het graan onderscheidt!

Gebed over de gaven

Lieve God, wilt U alstublieft zegenen wat we hier bijeen hebben gebracht,
  zodat het is tot eer van Uw Naam,
en zodat het Uw gemeente wereldwijd ten goede komt.
Laat het een offer zijn, dat onze dankbaarheid en liefde uitdrukt,
door Jezus Christus, onze Heer.  Amen

Laten we danken en bidden:
Lieve God, Wij willen U aanbidden en danken om alle goede dingen die U ons geeft naar lichaam en geest, en vooral voor de blijde boodschap die we mochten horen. Geef dat het krachtig in ons werkt, en ons een diep begrip geeft van Jezus Christus, die door Zijn dood onze gerechtigheid, door Zijn opstanding ons leven en door Zijn Evangelie onze wijsheid geworden is.
Bron van barmhartigheid, wij bidden U dat U Uw kerk met allen die U dienen wilt bezielen door Uw Geest, opdat Uw heilig Woord er naar waarheid wordt gebracht. Dat daardoor geloof en werkzame liefde versterkt mag worden in ons allen. Zegen allen die geroepen zijn om op hun eigen plek in kerk en samenleving te dienen, en met name hen die worden opgeleid tot het ambt dat de verzoening preekt.
Ook bidden wij U voor zending, en dienst aan de naaste. Voor Israël, Uw volk, en zijn omgeving, om Uw beloften aan Abraham, Izaäk en Jacob, aan Sara, Rebekka, Rachel en Lea... Dat zij tot zegen zijn...
Wij bidden U voor de koningin en voor allen met wie zij haar macht en verantwoordelijkheid deelt, dat zij die mogen uitoefenen in Uw kracht en wijsheid, opdat gerechtigheid en vrede overal ter wereld moge groeien. En ook juist daar waar wij als Nederlanders een internationale taak vervullen.
Zegen de opvoeders van de jeugd met liefde, vertrouwen, en gevoel voor humor en relativering.
Geef mensen eerlijk werk, en maak ons dankbaar voor het voedsel dat we dagelijks van U krijgen.
Denk in Uw goedheid aan alle mensen in nood, wij danken U voor de verbetering in de toestand van de kleine Angelo. 

Geef de zieken de gratie zich aan U toe te vertrouwen en troost hen die in rouw gedompeld zijn.
Weer in Uw genade alles van ons af dat leven en geloof bedreigt. En houd Uw wakend oog gevestigd op Uw gemeente aan deze plaats. 
Blijf dan bij ons, in alle voor- en tegenspoed, opdat wij in vreugde voor U leven, in Uw genade sterven en Uw Rijk binnengaan door Jezus Christus, Uw Zoon, met U en de Heilige Geest, waarachtig God, hooggeloofd in eeuwigheid.
Met Hem willen wij U danken en bidden met de woorden:

Onze Vader, die in de hemel zijt,
Uw Naam worde geheiligd
Uw Rijk kome,  Uw Wil geschiede,
zoals in de hemel zo ook op aarde.
geef ons heden ons dagelijks brood
en vergeef ons onze schulden,
zoals ook wij vergeven onze schuldenaren
en leid ons niet in verzoeking
maar verlos ons van het kwade

Ons slotlied is gezang 75: 13, 14 en 15

Gij zijt tot herder ons gegeven,  wij zijn de schapen die Gij weidt;
waar Gij ons leidt is 't goed te leven, Heer, die ons voorgaat door de tijd.
Wie bij U blijft en naar U ziet,  verdwaalt in deze wereld niet.

O Christus, ons van God gegeven,  Gij tot in alle eeuwigheid
de weg, de waarheid en het leven,  Gij zijt de zin van alle tijd.
Vervul van dit geheimenis  uw kerk die in de wereld is.

zegen:
Gods zegen draagt ons door dood en doop heen naar het leven in eeuwigheid.
Gods Geest geeft ons de woorden van eeuwig leven in de mond, en de moed in ons hart om die te spreken.
Gods geliefde Zoon gaat aan onze zij, wanneer we hier vandaan gaan.

Zo zijn we dan gezegende mensen,
in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
Amen