7 december anno Domini 2008
Voorgangster: ds. C. van Opstal. Orgel: Kees Mijderwijk.
Fluit: Gerrit Haasjes. Zang: Ouders en vrienden.
Speciaal: Grootmoeder Stien Heintze en een doopjurk uit 1850. Aanwezig tussen de
45 en 50 mensen.

Voor
de dienst afkondigingen en vooroefenen.
Aan de
vlam van de Paaskaars worden de lichten op tafel aangestoken
Muziek orgel en fluit
stilte
De
gemeente gaat staan

Voorg: Antifoon
Volk van Jeruzalem,
dat op de Sion woont
de Heer zelf komt van ver.
Dan zal de Heer zijn machtige stem laten horen.
Jullie zullen verheugd zijn.
Allen:
Introďtuspsalm 92: 1,2,3,7,8 (de gemeente gaat zitten)

Gezegend zal Hij wezen / die ons bij name riep,
die zelf de adem schiep / waarmee Hij wordt geprezen;
laat alom musiceren, / met stem en instrument,
maak wijd en zijd bekend / de grote naam des HEREN.
Gij hebt mij door uw daden, / o HERE God, verheugd.
Mijn hart is vol van vreugd, / ik juich om uw genade.
Hoe groot zijn uwe werken, / de werken uwer hand,
Gij houdt het volk in stand. / Gij zult hun hart versterken.
Zoals de cederbomen / hoog op de Libanon,
staan bij de levensbron / de nederige vromen.
Die in Gods huis geplant zijn, / zij bloeien in Gods licht
als palmen opgericht. / Hun lot zal in zijn hand zijn.
Zij zullen vruchten dragen / voor 's HEREN heiligdom
tot in hun ouderdom, / tot in hun grijze dagen.
Welsprekend is hun leven: / God is hun heil, hun rots!
Ik loof de daden Gods, / zijn recht is hoog verheven.
Voorg:
Laten we de Heer aanroepen om ontferming met de nood van deze wereld,
Lofzang van Zacharias

Zondagsgebed .
Eeuwige, Ene,
Vader, broeder,
Uw heil is ons uitzicht,
uw toekomst ons verlangen,
uw liefde ons leven.
Wek op, o Heer, onze harten
om uw eniggeboren Zoon
te zien voor wie Hij is:
Mensenzoon van vrede en barmhartigheid.
Zijn opstanding is ons leven geworden,
Vervul ons van de vreugde
om het weten, en het voelen in de doop, dat
wij uw geliefde kinderen zijn.
Door Jezus Christus onze Heer,
Gem.:
Amen.
Dienst
van het Woord
Eerste
lezing
Jesaja 2: 2-5
2 Eens zal de dag komen dat de berg
met de tempel van de HEER rotsvast zal staan,
verheven boven de heuvels, hoger dan alle bergen.
Alle volken zullen daar samenstromen,
3 machtige naties zullen zeggen:
‘Laten we optrekken naar de berg van de HEER,
naar de tempel van Jakobs God.
Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen,
en wij zullen zijn paden bewandelen.’
Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht,
vanuit Jeruzalem spreekt de HEER.
4 Hij zal rechtspreken tussen de volken,
over machtige naties een oordeel vellen.
Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk,
geen mens zal meer weten wat oorlog is.
5 Nakomelingen van Jakob, kom mee,
laten wij leven in het licht van de HEER.
lied

Psalmwoord:
Toon ons uw trouw, Heer
en geef ons uw hulp

Kwartet
zingt het koraal: Wie soll ich dich empfangen
und wie begegn' ich dir?
O aller welt Verlangen
o meiner Seelen Zier.
O Jesu, Jesu, setze
mr selbst die Fackel bei,
damit was dich ergotze
mir kund und wissend sei.
Aankondiging
van de Evangelielezing (Gem.
gaat staan)
25 Dan zullen er tekenen zijn aan de zon en de maan en de sterren, en op aarde zullen de volken sidderen van angst voor het gebulder en het geweld van de zee;
26 de mensen worden onmachtig van angst voor wat er met de wereld zal gebeuren, want de hemelse machten zullen wankelen.
27 Maar dan zullen ze op een wolk de Mensenzoon zien komen, bekleed met macht en grote luister.
28 Wanneer dat alles staat te gebeuren, richt je dan op en hef je hoofd, want jullie verlossing is nabij!’
29 Hij vertelde hun ook een gelijkenis: ‘Kijk naar de vijgenboom en al de andere bomen.
30 Als je ziet dat ze uitlopen, weet je dat de zomer in aantocht is.
31 Zo moeten jullie ook weten, wanneer je die dingen ziet gebeuren, dat het koninkrijk van God nabij is.
gevolgd door de acclamatie:

De
gemeente gaat zitten.
Gezang 325
Maar als een glimp van de zon
een groene twijg in de winter,
dorstig en hard deze grond
zo is het koninkrijk Gods.
Stem die de stilte niet breekt
woord als een knecht in de wereld
naam zonder klank zonder macht
vreemdeling zonder geslacht.
Kinderen armen van geest
mensen gelouterd tot vrede
horen de naam in hun hart
dragen het woord in hun vlees.
Blinden herkennen de hand
dovemansoren verstaan hem
zalig de man die gelooft
zalig de boom aan de bron.
Niet in het graf van voorbij
niet in een tempel van dromen
hier in ons midden is Hij
hier in de schaduw der hoop.
Hier in dit stervend bestaan
wordt Hij voor ons geloofwaardig
worden wij mensen van God,
liefde op leven en dood.
Geliefde gemeente van Jezus Christus,
Eva Johanna is geboren en zij is een teder levensteken.
Ik zie zo’n winterse tak voor me, waaraan de knopjes al zichtbaar zijn.
En je denkt: ho, voorzichtig, niet zo’n vaart. Er kan nog sneeuw en vorst gaan
komen.
En tegelijk is het heerlijk dat de lente al aangekondigd wordt. Dat met die
voorzichtig tevoorschijn piepende blaadjes de zachte lentewind al binnen komt
waaien nog voor het werkelijk zover is.
Zo’n bijna al groenende twijg in de winter is een lieflijke voorbode te midden
van guur weer en de donkere tijd van het jaar.
En jullie zomerkind is ook zo’n lentebode, levensteken.
Inmiddels is de teerheid al vol en aards geworden. Ze is al aan het bloesemen.
Eva: levensbron, vertaalt Pieter Oussoren haar naam.
Meisje van het paradijs, in alle onschuld geboren, al is er nog zo’n verhaal
aan vooraf gegaan.
Johanna, meiske in de familielijn van al de Johanna’s en Johannessen gezet, die haar voorgingen. Johanna, kind van
Gods genade.
Zo onvanzelfsprekend en zo vanzelfsprekend
als ze tegelijktijd is.
In het verhaal uit Lukas is de uitbottende vijgeboom een heel verrassend element.
Waar aangekondigd wordt dat de zon, de maan en de sterren van Hans, de krachten,
de in veler ogen goddeljke krachten zullen wankelen, tekenen van
catastrofe.
Waar geschouwd wordt hoe mensen samen zullen dringen bij elkaar in hun
radeloosheid vanwege dreigingen van het brullen van de zee en de aanstormende
golven. Niet wetend wat hen te wachten staat. Alles overmacht en onheil.
Arme aarde, uit het lood geslagen.
Arme mensheid, aangeslagen, uit elkaar geslagen, verslagen.
Waar ons dat allemaal voor ogen wordt gehouden. Nietsontziend.
Ecce homo. Zie de mens, zie de aarde. Hier en nu. Rondom ons, in onze eigen
familiegeschiedenissen.
Daar is opeens een totaal ander beeld. De zachte twijg in de winter.
Voorbode van de grote zomer, zoals Jesaja die beschrijft: alle volken op weg
naar de berg Sion.
De tempel van de Ene.
-De Ene, die onverstoorbare liefde is. Zo onverstoorbaar als hartstochtelijk om
het met Israels profeten te zeggen.
-Die Ene , die ons ego verlost uit haar strijd
en haar eenzaamheid en op laat gaan in zijn eeuwigheid.
-Die Ene die eeuwig is en tegenwoordig.
-De Ene, die gerechtigheid bewaarheidt en ervoor garant staat dat vrede komt en
zwaarden omgesmeed worden tot ploegscharen en speren tot snoeimessen,
gereedschap van de boer, degene die het land bewerkt.
In plaats van mens en grond vernietigen door zwaard en paardenhoeven, door
speren en landmijnen, zal de mens de
aarde bewerken worden met ploegscharen tot overvloedige vruchtbaarheid en de
vruchtbomen als in het paradijs zullen ze snoeien gesnoeid met wat eens een
speer was, om al die eetgrage monden op de aarde te vullen met overheerlijk
fruit.
Die Ene, die de weg wijst in het leven.
Die een weg wijst aan zoekenden om steeds -in de gevonden eenheid met Hem-
met al wat leeft- een weg te gaan van wijsheid en van mededogen. Van bezieling
en verbondenheid.
Jesaja ziet de tere wintertak al
voluit groeien en bloeien in vrede.
Aan het beeld van de tak van de vijgenboom ging een ander beeld vooraf.
Lukas heeft gesproken over de Mensenzoon, beeld van de profeet Daniel.
Zie: de mensenzoon, komend in een wolk!
Tegen alle mensen die wegduiken voor al wat wankelt aan het firmament en woedt
aan zee en golven wordt gezegd: kijk omhoog! Richt je op! Kijk, daar is de
mensenzoon.
De Trooster, de Verlosser, het licht der wereld.
Dat is de Zoon in wiens naam Eva gedoopt zal worden, in één adem te noemen met
God de Vader en de Heilige Geest.
De Zoon is God, die naar ons mensen toekomst. Telkens weer.
Over wie we zo zingen in meerdere coupletten van het innige lied: hoe zal ik U
ontvangen?
Ik hoef hem nu niet verder uit de doeken te doen. We zingen het zo samen.
Nog een laatste ding om te zeggen:
Straks krijgt Eva haar doopkaars. Het is de fakkel waar Gerhard van zingt.
De fakkel, licht in donker.
Ze hoeft hem niet zelf steeds te dragen. Zelf niet altijd het licht hoog te
houden. Ze mag het doen, licht zijn, omdat Hij, die Mensenzoon, de fakkel haar
heeft aangereikt. Hij zal die
fakkel haar hele leven steeds voor haar zal dragen.
Het licht is niet van haar afhankelijk. Zij hoeft het licht niet te presteren.
Het licht is er al vanaf de eerste scheppingsdag. Het licht is haar voorgegaan
en blijft haar voorgaan.
Dit licht blijft dragen. Een leven lang.
Zij hoort erbij. Ook zij hoort bij die stoet die tot elkaar zegt, die aanspoort,
die zingt:
gaat mee, laten we voortgaan in het licht van de Ene.
Amen.
Gezang 117: 1 - 5

Uw Sion strooit U palmen en meien voor uw voet,
en ik breng U in psalmen mijn jubelende groet.
Mijn hart zal openspringen gelijk ontluikend groen,
ik wil uw naam lofzingen zoveel mijn lied kan doen.
Ver van de troon der tronen en 's hemels zonneschijn
wilt Ge onder mensen wonen, der mensen broeder zijn.
Met God wilt Ge ons verzoenen, tot God heft Ge ons omhoog,
en onder millioenen hebt Gij ook mij in 't oog.
'k Lag machteloos gebonden - Gij komt en maakt mij vrij!
Ik was bevlekt met zonden - Gij komt en reinigt mij!
Het leven was mij sterven tot Gij mij op deedt staan.
Gij doet mij schatten erven, die nimmermeer vergaan.
Zo diep waart Gij bewogen: Gij daaldet van uw troon;
uit godlijk mededogen zocht Gij der mensen woon,
Gij die de last der volken, hun plagen duizendvoud,
wat niemand kan vertolken, in liefde omsloten houdt.
Inzameling
van de gaven
voor een diaconaal doel.
( ook wordt er gemusiceerd tijdens
de
inzameling)
Gebed over de gaven.
Orgel-
en fluitspel
Bediening van de doop aan Eva Johanna de Jongh
Credo:
(de gemeente
staat op)

de
gemeente gaat zitten.
Inleiding op de doop
Geen mens heeft zichzelf het leven gegeven.
Wij hebben het aan anderen te danken,
het werd ons geschonken.
Geen mens kan het leven vanuit zichzelf behouden.
Wij hebben lucht nodig om te ademen,
voedsel voor het lijf,
mensen, waar wij mee leven.
Ook het leven van een christenmens heeft niemand vanuit zichzelf
Ons geloof is een geschenk van God.
De blijvende basis voor ons bestaan als christen, als mens
is in de doop vastgelegd,
doordat de doop ons met de gekruisigde en opgestane Christus verbindt.
In de doop wordt ieder mens persoonlijk met
het onbeperkte ‘ja’
van Gods onvoorwaardelijke liefde
eenmalig en tastbaar toegesproken.
Onze Heer, Jezus Christus heeft gezegd:
Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.
Gaat dan heen, maakt alle volken tot mijn discipelen
en doopt hen in de naam van de
Vader en de Zoon en de Heilige Geest
en leert hen onderhouden al wat ik doorgegeven heb.
En zie, ik ben met u tot de voleinding der wereld.
Jezus Christus, de Messias van zijn volk,
de Heer van zijn gemeente,
ging met ons onder in onze dood
toen Hij zich liet dopen in de rivier de Jordaan.
In zijn verrijzenis staan wij met Hem op tot het eeuwige leven.
Gebed:
God onze Vader, Eva Johanna is de uwe.
Wij ontvangen haar uit uw hand en wij vertrouwen haar toe aan uw liefde.
Christus, gij, die de weg, de waarheid en het leven zijt,
lijf Eva Johanna in bij uw liefde en gerechtigheid.
Heilige Geest, verwarm deze kleine dochter met uw vuur
haar leven lang.
Zo bidden wij samen. Amen
We gaan naar het doopvont.
Daar wordt gezongen: 'Ein
Kind geboren in Bethlehem' dat veel gezongen is voor Hans en voor Eva in de
buik. 
Doop van Eva Johanna.
We gaan terug naar de kapel
Aansteken van de doopkaars aan de Paaskaars.
Zingen gezang 335:9

Dankgebed en Voorbeden,
eindigend op:
zo bidden wij:
En voor alles wat het ingewikkeld maakt, afstotelijk
bidden wij om vrede,
Zo bidden wij samen.

Wij danken voor de vreugde van het leven
en voor alles wat het lelijk maakt en mismoedig
bidden wij om tederheid,
Zo bidden wij samen,

Wij danken voor de zoektocht die het leven is.
en voor alles wat ons bang maakt in het vallen en opstaan
bidden wij om vertrouwen,
Zo bidden wij samen,

Wij danken dat het leven doorgaat,
wij danken voor het voorgeslacht dat mee blijft spreken.
en waar breuken ontstonden, waar
pijn is om wat was,
bidden wij om verzoening die rijpen zal,
Zo bidden wij samen.

Wij danken voor U, dat U er bent, erbij Bent, Gij de Ene,
U bent Eva, bron van leven,
en voor alles wat het leven tegenspreekt
bidden wij om recht en heelheid,
Zo bidden wij samen

Wij danken voor wat gaaf en mooi is;
en voor wie ziek zijn; voor wie gehavend zijn
bidden wij om genezing,
bidden wij om troost en kracht.
Zo bidden wij samen

Wij danken voor wie jong en open zijn
en voor allen die zich langzaam sluiten bidden wij om liefde.
Zo bidden wij samen

God, wij bidden voor Eva,
wij bidden voor Stien,
wij bidden voor Mirjam en Herbert,
wij bidden voor elkaar, voor wie ons lief zijn
in stilte en gezamenlijkheid.
Onze Vader die n de Hemel zijt,
Uw Naam worde geheiligd
Uw Rijk kome
Uw wil geschiede, op aarde zoals in de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood
En vergeef ons onze schulden,
Zoals wij aan anderen hun schuld vergeven En leid ons niet in verzoeking
Maar verlos ons van het kwade…

Slotlied: gezang 124

De duisternis gaat wijken
van de eeuwenlange nacht.
Een nieuwe dag gaat prijken
met ongekende pracht.
Zij, die gebonden zaten
in schaduw van de dood,
van God en mens verlaten
begroeten 't morgenrood.
De zonne, voor wier stralen
het nachtlijk duister zwicht,
en die zal zegepralen,
is Christus, 't eeuwig licht!
Reeds daagt het in het oosten,
het licht schijnt overal:
Hij komt de volken troosten,
die eeuwig heersen zal.
Zegen van Aaron.
Er is koffie, taart en veel liefs.